(volgend op 'ontstaansgeschiedenis')

Avoriaz stedenbouw en architectuur.

Jean Vuarnet en Gérard Brémont trokken drie eveneens jonge architecten aan; Jacques Labro, Jean Jacques Orzoni, en Jean-Marc Rogues. Ik weet niet of de voor de hand liggende naamsverwarring (met drie Jean"s en twee Jacques") heeft bijgedragen aan het uitgangspunt helemaal opnieuw te beginnen, wars van conventies, of aan de eensgezindheid over de overige uitgangspunten: Passend in de woeste natuur, autovrij, geen andere fossiele brandstoffen voor verwarming e.d. maar alles electrisch (schoon, niet alleen practisch maar ook in de tijd van kernenergie), vernieuwend, en met een architectuur die plezier, welzijn, samenzijn, en vrijheid moet uitdrukken.

Dat was de tijd van het brutalisme; het nieuwe, moderne bouwen, universeel toepasbaar geacht; en industrialisatie van het bouwproces mede door het introduceren van een grote mate van repetitie en schaalvergroting.
In Avoriaz echter werden rechte hoeken en grote ononderbroken vlakken zoveel mogelijk verbannen. Het teruggegrijpen naar zeer lokale, regionaal gebonden thema"s en materiaalgebruik, en het letterlijk willen opgaan in de omgeving door haar vormgeving over te nemen was zijn tijd vooruit. De wijze waarop voornoemde elementen gebruikt werden leidde tot een avantgardisitsch architectuur waarvoor Avoriaz "La Palme d"integration au site" won. Ook werd Avoriaz bekroond met "l'Equerre d'Argent", de hoogste architectuur onderscheiding in Frankrijk. De architectuur is uniek en niet in een andere omgeving toepasbaar.

Stedenbouw. De opzet van het dorp is afgeleid van ontstaanswijze van nederzettingen in het hooggebergte. Het dorp is samengesteld is uit vijf gehuchten die successievelijk ontwikkeld zijn waardoor het als het ware organisch tot een groter geheel groeide. (en dus ook nooit "onaf" was). Bovendien behoudt elk gehucht afzonderlijk zijn schaal en identiteit, en beschutting tegen het soms ongure hooggebergte(klimaat).
Achtereenvolgens werden gedurende een periode van vijfentwintig jaar Les Dromonts, Les Hauts Forts (naar de bergtop ertegenover), Les Ruches (bijenkorven), Les Crozats en La Falaise (de klif) gesticht, elk met eigen plein en enkele voorzieningen. De meeste gebouwen volgen de vorm van het massief, enkele accentueren deze juist (La Falaise).
Dat houdt in dat de gebouwen als het ware met hun rug tegen berg geplakt zijn en onderdeel van de bergwand vormen. Ongeacht het aantal verdiepingen rijst de berg direct achter deze gebouwen verder op. Dat brengt weer met zich mee dat ze zich deels in de beschutting van de berg schuil houden. Bovendien biedt dit de mogelijkeheid om zowel de onderste als een hoger gelegen verdieping een entree aan de straat - in casu op de berg - te geven. Deze mogelijkheid werd benut voor het maken publieke doorgangen opdat met een publiek toegangkelijke lift de niveauverschillen in het dorp geslecht worden. Voor die tijd was het publieke karakter van deze beschutte doorgangen een nieuw gegeven op dit oude regionale thema.
Het was een bewuste keuze om niet het hele dorp binnendoor te verbinden en daarmee de situering te ontkennen. Het was juist de bedoeling dat er in het dorp op de weg geskiet kan worden. De verschillende kernen worden dan ook doorsneden door pistes en liften.

Bezonning en zichtlijnen zijn ook bepalend geweest in de vorm en ligging van de gebouwen. Daarbij dragen de balkons op het zuiden ook bij aan een meer gelaagd en gedifferentieerd uiterlijk van de gebouwen. De vele balkons en grote overstekken dienen ook een ander doel, namelijk beschutting tegen het klimaat, de wind sneeuw en zon. Hierdoor konden weer grotere ramen toegepast worden, zonder luiken, en mede daardoor met vrijere vormen.
De schuine daken, de materialisering - het witte basement (in de sneeuw), en de (kleur van de) houten bekleding over de isolatie) - zijn weer duidelijk regionaal. Het hout wordt niet behandeld maar behoud haar vlammende kleurschakering waar het niet of minder aan zon bloot staat (balkongevels). Onbeschutte zuidgevels en dakvlakken kleuren grijs. Het gebruik van Shingles van Canadees Red Cedar voor de bekleding geeft de gevels een minder glad aanzien, een geschubde textuur.
Ook nieuw zijn de dubbele daken die ook een houten uiterlijk hebben; een sneeuw dragende laag, met daaronder de waterkerende laag waarover tevens het smeltwater wordt afgevoerd. De voor châlets gebruikelijke daken met leisteen of aluminium en met sneeuwhaken vind je hier niet terug.

De bouwtijd van de gebouwen was telkens zeer beperkt door de start van een nieuw skiseizoen - in de zomer werd doorgebouwd. En hoewel het weer op deze hoogte met name in mei en in het najaar niet erg gunstig is, kon niemand zich enig oponthoud permitteren. Daar komt nog bij dat de aanvoer van al het materieel over de berg moest, de eerste jaren zelfs niet over een verhardde weg.
Dat schetst een beeld van de pioniersmentaliteit die alle betrokkenen tekende. Het maakt ook duidelijk dat naar tijdsbesparende methoden gezocht moest worden en daarmee een impuls aan de ontwikkeling van prefab wanden en natte cellen e.d. werd gegeven. (Overigens zonder tot eenvormigheid te leiden).

Ten overvloedde; De opzet en architectuur maken Avoriaz tot een uniek dorpje dat een vergelijkbaar aantal toeristen kan herbergen als menig stadje in de omgeving. Toch ligt het verankerd in zijn omgeving zonder deze te domineren of geweld aan te doen.
Zowel in het groene en bruingrijze, woeste hooggebergtelandschap van de zomer, als in het serene lege sneeuwlandschap van de winter harmonieren de gebouwen. De grote ramen en het ontbreken van luiken geeft de architectuur toch een open karakter. Dit alles is heel wat meer dan van de almaar als een olievlek van identieke gesloten châlets uitdijende dorpen als Morzine gezegd kan worden.



(lees verder op 'sprookje of realiteit')

Bronmateriaal o.a.:
Avoriaz, ou la transformation d'un paysage" ISBN 2-85376-220-3